Sint Jorismarsen 1946 - 2013

Al 67 jaar komen scouts samen in Oegstgeest voor uniek evenement, je kunt het je nauwelijks voorstellen. Wie had ooit kunnen denken dat een dergelijk evenement na zoveel jaren nog zo spinglevend zou zijn?  De Sint Joris Challenge (voorheen Sint Joris Marsen) in Oegstgeest zijn een jaarlijks te­rugkerend hoogtepunt gaan vormen voor enkele duizenden jongens en meis­jes, die een groot deel van hun vrije tijd doorbrengen met het volgen van het spoor dat Lord Baden Powell voor de jeugd uitzette. Wandelmarsen in Oegstgeest en dan nog wel uitsluitend voor padvindsters en padvinders. Hoe kwam men in 1946 eigenlijk hiertoe? Wat was de aanleiding? Wat de achtergrond? En hoe kwam het dat de belangstelling voor deze marsen al dadelijk zo groot was en van jaar tot jaar toenam? Om hiervan iets meer aan de weet te komen, zijn we de geschiedenis ingedo­ken.

Het begin

De Sint Jorismarsen, die we dit jaar voor de vijf en twintigste maal houden, zijn voortgekomen uit een ander zilveren jubileum. Dat jubileum betrof de destijds in Oegstgeest bestaande, maar in later jaren verdwenen Christelijke Jeugdvereniging "Jong Oegstgeest". Naast een klein aantal andere afdelingen werd zij voor het grootste deel gevormd door de "Nijora-groep " , de "Navajo-groep" (beide N. P. V.) en de "B. P. -groep" (N. P. G.). In "De Clubvriend" , het maandblad van deze vereniging, waarvan gelukkig nog een volledig archief bewaard is gebleven, hebben we uitvoerig kunnen lezen hoe deze eerste marsen tot stand kwamen.

Jong Oegstgeest was opgericht op 10 november 1920. Een van de eerste leiders was de zendelings-kwekeling Offringa, de na de tweede wereldoorlog in N.P.V.-kringen in Alphen a/d Rijn zo bekende hopman Offringa. Tijdens en kort na de oorlog waren er reeds plannen gemaakt om in november 1945 aan dit zilveren jubileum uitgebreid aandacht te schenken. Een groots feest moest het worden. Niet zomaar een feestavond of een feestdag, nee, een hele feestweek. Tot slot van deze festiviteiten zouden op zaterdagmiddag wandelmarsen worden georganiseerd, waaraan alleen leden van N. P. G. en N. P. V. konden meedoen. Een novum voor de padvinderij en bovendien een gok. Want hoe zouden deze marsen in de padvinderswereld ontvangen worden? Was er wel animo voor en bo­vendien, zouden de marsen levensvatbaarheid hebben? Het plan was immers, zo lezen we, in het vervolg jaarlijks padvinder swandelmar s en uit te schrijven. De leden van het toenmalige Jong Oegstgeest hielden erg van wandelen. Reeds menigmaal had men aan allerlei burgerwandelmarsen meegedaan en dit was dan ook de reden dat er bij het organiseren van de feestweek aan wandelmarsen werd gedacht.

Allerlei werkcomite's werden ingesteld en zo lezen we in de eerder vermelde "Clubvriend" dat het werkcomite voor de marsen bestond uit oubaas A.H. van Grol, hopman D. Swaan Jr., de voortrekkers M.C. Jelier en W. Duyverman en guido J. Swaan. Toen alle plannen echter klaar lagen, stak de toenmalige minister van Financiën, Lieftinck, een spaak in het wiel. Er kwam een geldsanering en juist om­streeks het grote feest moest elke Nederlander het een week lang doen met een tientje en werd al het andere geld enige tijd geblokkeerd. Geen geld, dus ook geen feest. Maar ook toen droegen padvindsters en padvinders een teleurstelling met opge­wektheid en alles werd verschoven naar het voorjaar.

De eerste mars

Half februari werden inschrijfformulieren verstuurd naar N. P. G.- en N.P.V.-groepen in Oegstgeest, Leiden, Katwijk, Noordwijk, de bollenstreek, Voorschoten, Wassenaar en de Rijnstreek. Al spoedig kwamen de eerste formu­lieren terug en bleek dat heel wat welpen, kabouters, verkenners, pad-vindsters, voortrekkers en pioniers er best een reisje naar Oegstgeest voor over hadden om hier 7, 15 of 20 kilometer te gaan wandelen. Hopman C.Th. van der Horst en waandrig A,W, Duyverman, die alle inschrijvingen verwerkten, besteedden tezamen met het gehele organisatie-comite, menig avondje om alle voorbereidende werkzaamheden te verrich­ten. Toen op 27 april hopman Swaan voor het verenigingsgebouw "Irene" het startsein gaf, stonden er omstreeks 750 meisjes en jongens gereed om op weg te gaan en maakten Oegstgeest en omliggende gemeenten voor het eerst kennis met de padvindersmarsen. Een ongekend succes, dat alle ver­wachtingen te boven ging.

Op initiatief van de inmiddels opgerichte Plaatselijke Commissie werd in het najaar van 1$k6 besloten de organisatie van deze zo succescol ver­lopen marsen voortaan onder auspiciën van dit overkoepelend lichaam van N,PG, en N,P.V. te doen plaatsvinden. Omdat het tijdstip zo omstreeks Sint Jorisdag uitermate geschikt leek, kregen de wandelmarsen de offi­ciële naam van "Nationale Sint JorismaTsen", De organisatie bleef voor­lopig nog berusten bij de drie eerdergenoemde groepen, maar toen de sa­menwerking in de padvinderij allengs beter werd, en in 1948 ook de groe­pen van N.G.B, en V.K.J.B. gingen deelnemen, zien we jarenlang een vaste topstaf, bestaande uit de hoplieden C»Th. van der Horst, D. Swaan Jr«, W. Vreeburg en schipper E. IJdo, die geassisteerd door bijna de gehele leiding van alle Oegstgeester groepen, telkenj are voor een perfecte voor­bereiding, uitvoering en regeling zorgde.

Het aantal deelnemers bleef van jaar tot jaar stijgen» In 1947 waren er al bijna 1000 deelnemers, waaronder een groep van 25 Engelse padvindsters en een vers-komende Nederlandse groep uit Hippolytushoef. De daaropvolgen­de jaren bleef dit aantal ongeveer hetzelfde.

Reeds in 1949 werd besloten het dichtbijgelegen restaurant "Het Witte Huis" als punt van samenkomst en vertrek te verkiezen boven de geringere accommodatie van het gebouw "Irene", Ook zagen we in 1949 voor het eerst officiële gasten en werden de marsen door burgemeester J.C. Baumann ge­opend. In 1954 was de nieuwe Oegstgeester burgemeester, de heer H.L, du Boeuff aanwezig en ontving hopman Van der Horst uit handen van districts­commissaris A. Beekes het dankbaarheidsinslgne van de Nationale Padvin­der s raad.

Op zaterdag 7 mei 1955 bleek de belangstelling voor de marsen in tweeër­lei opzicht groter dan voorgaande jaren. Niet alleen waren er ruim 3750 deelnemers, maar ook een zevental leden van het Nationaal Hoofdkwartier der N,P.V. uit Den Haag, samen 330 jaar tellend, liep de 15-km tocht mee. Het waren de H.K.C. Algemene Zaken B,M, van Griethuysen, de H.K.C, voor Voortrekkers J.N. Swaan, de H.K.C, voor Leger des Heilsgroepen C.A, van Waal, de H.K.C, voor Christelijke groepen Joh, J. Buitendijk, de waarne­mend Hoofdcommissaris en H.K.C, Buitenland J» Volkmaars, de D,C,C. afde­ling Training W, Kloot en de directeur van het Nationaal Hoofdkwartier J. van der Graaf. Bij hun terugkeer bood oubaas Beekes, die alle jaren steeds de prijsuitreiking verrichtte, deze veteranen het erekruis aan» In 1956, bij het tweede lustrum, werd de UOOO overschreden en vijf jaar later was dit aantal uitgegroeid tot ongeveer U 300.

De faam van de Sint Jorismarsen reikte steeds verder het land in, Kwamen aanvankelijk de deelnemers alleen uit Zuid- en Noord-Holland, regelmatig zagen we later ook groepen uit Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant mee lopen. Als gevolg hiervan werd binnenskamers wel eens zachtjes het getal 5000 gemompeld. Het streven de marsen jaarlijks rondom Sint Jorisdag te houden ondervond moeilijkheden. Het verkeer in de bloembollentijd werd steeds intensiever en mede door het bloemencorso, de Keukenhof en de bloeiende bollenvelden moesten de marsen verschoven worden naar de maand mei. In 1958 werd het zelfs 31 mei!

Een nieuwe staf

Eind 1960 onderging het organisatieteam een algehele wijziging. Diverse leden waren naar elders verhuisd of konden niet meer zoveel tijd beschik­baar stellen. Met ingang van de 15e mars in 1961 trad hopman L. Serlier van de Shawano's als marsleider op. Hij kreeg assistentie van B.G. van Ingen Schenau. W. Vreeburg bleef de wandelroutes verzorgen. Dat jaar ver­scheen voor 't eerst een keurig boekje met behalve de routes ook, ter ge­legenheid van het derde lustrum, enkele herinneringen aan de eerste mar­sen. Te beginnen met 1961 veranderde behalve de staf ook de organisatie zelf. Om het overleg tussen de medewerkers te verbeteren, werd een mede­werkersavond belegd waar ieder na uitleg van zijn taak ook nog een schrif­telijke instructie meekreeg. Na iedere mars werd een financieel- en orga-nisatieverslag gemaakt. Bij iedere volgende mars kon dus van de fouten der vorige geleerd worden. Langs de route waren steeds leden van de orde­dienst aanwezig om zonodig verkeersknopen te ontwarren of te voorkomen, uitvallers op te vangen, enz. De moeilijkheid was echter dat zij nooit precies wisten waar hun hulp het hardst nodig was. Daarom werden de voortrekkers van de Leidse "Van der Werff-stam" ingeschakeld. Via hun radio's en walkie-talkies zorgden zij voor het hoognodige contact, Een aardig voorbeeld van het gemak hiervan is het volgende: Via de radioverbinding kwam bij de marsleiding bericht binnen dat er in een huis langs het parcours brand was uitgebroken. Wim Vreeburg, die al ter plaatse de nodige maatregelen getroffen had, kreeg onmiddellijk verster­king gestuurd, zodat de mars zonder problemen voor wandelaars en brand­weerlieden verder gelopen kon worden. In 1969 nam de verbindingsdienst van het Rode Kruis deze taak over.

Nieuwe startplaats

Elk jaar opnieuw beleefde Oegstgeest zo een invasie van padvindsters en padvinders, die soms van heel ver met grote aantallen autobussen werden aangevoerd. Verkeerstechnisch werden de zaken hierdoor steeds moeilijker en de organisatoren gingen op aandrang van de politie, die elk jaar voor een steeds groter wordende verkeerschaos in het hart van het dorp kwam te staan, omzien naar een andere startplaats. Door medewerking van het gemeentebestuur van Oegstgeest en de directie van Oud-Poelgeest kreeg men in 1963 de beschikking over koetshuis en wandelpark van dit oude kasteel. En het lijkt wel of deze prachtige omgeving stimulerend werkte op organisatoren en wandelaars. De mogelijkheden in en rondom deze start­plaats zijn ook veel groter dan bij het Witte Huis, Er is ruimte genoeg om alle deelnemers op te vangen, om verkoopkraampjes te plaatsen, om het Rode Kruis, dat zich elk jaar met manschappen en materieel belangeloos ter beschikking stelt, aan een goed onderkomen te helpen, om tentoonstel­lingen te houden en demonstraties te laten plaatsvinden, om de elk jaar met veel animo deelnemende bands de in groten getale aanwezige bezoekers van hun muzikale kunde te laten genieten en niet in de laatste plaats om een massale openings- en sluitingsceremonie te laten plaats hebben, En niet te vergeten de mogelijkheid om in alle rust de vele en soms be­langrijke gasten te ontvangen en hun te laten proeven van de specifieke sfeer, die er rondom de Sint Jorismarsen hangt.

In dit verslag mag niet onvermeld blijven dat 1903 in meerdere opzich­ten een ingewikkeld jaar was voor de marsleiding. Behalve de problemen die een nieuwe startplaats uiteraard meebracht, werd de datum van het bloemencorso in verband met het slechte voorjaar verzet. Corso en Sint Jorismarsen samen op een dag was zelfs voor de politie te veel van het goede en zo moest op het laatste moment een andere datum gekozen worden voor de 17e mars. Alle gemeentebesturen, politiekorpsen en deelnemers moesten van die verandering bericht hebben. Wonder boven wonder kwam al­les toch nog voor elkaar en verschenen de +_ h^OO deelnemers keurig op tijd aan de start bij het kasteel,

Dat jaar werd tevens een begin gemaakt met wat meer show rond de marsen. Bij de opening.verscheen Sint Joris zelf, rijdens op een prachtig paard en vergezeld van schildknapen. De bezoekers van het restaurant in het koetshuis werden bediend door jonkvrouwen in kleurige kledij. In 196U stond er op het grasveld naast het kasteel Oud-Poelgeest een grote wigwam en voerden verkenners uit Lisse onder leiding van hopman E,, van Houten indianendansen uit.

De vijfduizend gepasseerd

Het prachtige weer op 22 mei 1965 was er vast en zeker de oorzaak van dat een record aantal deelnemers geboekt werd. Niet minder dan 5300 inschrijvingen werden geteld. De Oegstgeester Courant schreef dat jaar in een vette kop boven haar verslag: "Negentiende Sint Jorismarsen veelbe­lovende aanloop tot een grandioze lustrumviering in 1966". En daarmee vas niets teveel gezegd. Want toen een jaar later voor de twin­tigste maal dit wandelevenement een aanvang nam, was opnieuw een record gebroken en gingen 5^07 deelnemers op stap. Maar er was meer dat jaar. Het organisatieteam had opnieuw enige veranderingen ondergaan. Hopman Serlier had het team verlaten; Mej. H. Schimmel en de heren W. Tierolf en W. van Ingen Schenau waren toegetreden en maakten dit vierde lustrum tot een fees­telijke gebeurtenis. Eregast was dat jaar de gevolmachtigde minister van Suriname, Dr. J.F.E. Einaar. Ter gelegenheid van zijn komst werd een band­concours gehouden, trad er een Surinaams orkest op waarbij "koto-missies" dansen uitvoerden en was er een Surinaamse markt.

"Dat de padvinderij uit de tijd is, is een opvatting die ik ten zeerste be­strijd en die ook duidelijk gelogenstraft wordt door de massale deelneming aan deze marsen", aldus de burgemeester van Oegstgeest, Jhr. T.A.J. van Eysinga, in zijn openingswoord in 1968. En inderdaad, er stonden weer 5230 meisjes en jongens (26U groepen) en afkomstig uit hö gemeenten. Zelfs hele­maal uit Eindhoven was een groep naar Oegstgeest gekomen. Als attractie was er dat jaar een drumband-concours waarvoor enorme belangstelling bestond. Dit jaar werd ook het team uitgebreid met de heer R. Veldhuyzen van Zanten, die de gelederen kwam versterken.

In 1969 was het voor het eerst sinds vele jaren geen erg aanlokkelijk wandelweer. Het was nat en koud en het deelnemersaantal was wat geringer dan voorgaande jaren. Maar toch waren het er altijd nog U839 die van hun enthousiasme blijk gaven. Ook waren er weer zeven bands aanwezig die met hun vrolijke klanken de stemming erin hielden. En zo zijn we dan beland bij het laatste jaar van dit overzicht. 1970 - 2Ue Nationale Sint Jorismarsen. Begunstigd door prachtig wandel­weer gingen U^Uj deelnemers van start, waarbij de dames W.S. Elskamp uit Den Haag en M. Verloop uit Noordwijk, die beiden voor de 2Ue keer mee­liepen.

Wat de stichters van deze marsen misschien wel gehoopt maar waarschijn­lijk nooit verwacht hebben, is toch bewaarheid geworden. Duizenden meis­jes en jongens die zich in de loop van al deze jaren hebben laten in­schrijven zouden het hun kunnen vertellen: de Sint Jorismarsen zijn een van de hoogtepunten in het padvindersjaar geworden!

Prijswinnaars

Zo terloops is ook het woord prijsuitreiking gevallen. Daarom volgt iets meer hierover. Vanaf de eerste marsen was steeds al een jury aanwezig om de deelnemende groepen tijdens het wandelen te beoordelen. Later, toen er steeds meer bands gingen meedoen, werden ook zij door des­kundige juryleden op hun prestaties beoordeeld. Heel wat prijzen zijn in de loop der jaren door allerlei groepen in de wacht gesleept. Het zou echter te ver voeren hier een heel prijzenoverzicht te geven. Slechts enkele groepen willen we noemen en wel zij die meermalen een eerste of een tweede prijs wonnen.

Bij de 7 km zijn dit de Dauwtrappers uit Leiden, Mac Donald en St. Willi-brord, beide uit Den Haag, de Eikeldopjes en de Zonnige Boskabouters uit Heemstede. Ook bij de 15 km moeten we in de eerste plaats de Dauwtrappers noemen. Verder Trozinah uit Leiden, Neeltje Jacoba en Koetilang uit Heemstede en Watervogels uit Den Haag. Voor de 20 km waren er tot en met 1956 prijzen. Wegens de geringe belang­stelling, werd deze afstand daarna geschrapt. Maar in die elf jaar zagen we telkens drie groepen bijzonder opvallen. Zo zelfs, dat bij het passeren en binnenkomst de omstanders applaudiseerden. Het zijn de Spaarnegeuzen uit Aerdenhout, de Prinses Irene uit Hillegom en de Lumey van der Marck uit Heemstede.

Vanaf 1951 werden er prijzen voor bands beschikbaar gesteld. Aanvankelijk werden deze gewonnen door de St. Franciscusband, de St. Paulusband en de N.P,V,-band uit Leiden. In later jaren waren het afwisselend de N.P.V.-band uit Den Haag, de Sint Jorisband uit Boskoop, de N.P.V.-band uit Gouda en de N.P.G,-band uit Den Haag. Dat het ieder jaar weer mogelijk is de winnende groepen een beker of an­dere herinnering mee te geven, danken wij aan diverse gemeenten, scout­organisaties, WV Katwijk, Oranje-vereniging Oegstgeest, Firma Bink, Oegstgeest aktief en regionale pers, die telkenjare prijzen beschikbaar stelden.

De medaille

Mogen de beste groepen ieder jaar op een beker rekenen; iedere deelnemer die de mars uitloopt krijgt ook z'n herinnering mee in de vorm van een medaille. Bij de eerste mars in 1946 was dit een neutrale bronzen medail­le waarop een wandelaarster en een wandelaar waren afgebeeld. In 1947 bij de eerste Sint Jorismars kwam de medaille met de draak erop in ge­bruik. Op de onderste rand van de vijfkantige medaille zijn de insignes van N.P.G. en N.P.V. afgebeeld met daar tussenin het wapen van Oegstgeest. Bij deelname voor tweede, derde of vierde keer werd over de medaille een bandje met het bijbehorende cijfer geschoven. Bij de vijfde mars kwam een groen lint met een.gouden kroontje erop in gebruik. Pas in later jaren werd iedere medaille voorzien van' een rood/geel lint (de kleuren van de gemeente Oegstgeest). Ook de in later jaren uitgegeven cijfer­tjes zijn bedoeld om op dit lint te dragen, zodat de afbeelding op de medaille geheel zichtbaar blijft.

Voor de groepen die zonder uitvallers de mars liepen was ieder jaar een groepsprijs beschikbaar. Deze was elk jaar anders van uitvoering. De eersten waren in brons uitgevoerd. Later werden kleurige medailles gebruikt.

2011 - 2013: Sint Joris Challenge

Om ook met onze tijd mee te gaan is besloten eens kritisch te kijken naar de opzet van de Sint Joris Marsen. Het evenement bleek niet meer volledig aan te sluiten bij de huidige doelgroep, de jeugdige scouts. Kinderen zoeken avontuur. De marsen werden dan ook in 2011 omgedoopt tot een 'Challenge'. De Sint Joris Challenge werd de traditionele wandelactiviteit, gecombineerd met toneel en uitdagende opdrachten en spelletjes, voor jong en oud. Dat de nieuwe opzet werkt blijkt uit het stijgende ledenaantal.

Einde Sint Joris Challenge

Na 66 succesvolle edities heeft de organisatie helaas noodgedwongen moeten besluiten te stoppen met de Sint Joris Challange. De 2012-editie zou de laatste blijken uit een mooie geschiedenis vol gezellige wandeltochten.

Tenslotte

Voor we dit overzicht van 66 wandelactiviteiten besluiten, mag één belangrijk ding niet vergeten worden. Zonder dit zou het jubileumverhaal niet compleet zijn. Want hoe de le­den van de opeenvolgende organisatieteams jaar in jaar uit ook gezwoegd hebben, hun werk was misschien ijdel geweest ware het niet dat zij tel­kens weer zo heel veel medewerking ontvingen. Daaraan willen wij de laatste regels wijden. Daar zijn dan allereerst de vele leidsters en leiders, oud-padvindsters en oud-padvinders, leden van Plaatselijke Commissie (nu Scouting Oegst­geest ), leden van oudercomitê's en vele anderen die op de dag van de marsen de inschrijvingen verzorgen, de controleposten bezetten, de jury vormen of zich anderszins verdienstelijk maken.

Dan is er de Rode Kruis-colonne die zich met veel manschappen en mate­rieel beschikbaar stelt en de leden van de Oegstgeester E.H.B.O. die overal onderweg te vinden zijn. En niet te vergeten de directie van Oud-Poelgeest en in vroeger jaren de eigenaar van Het Witte Huis. En wat te denken van de vele gemeentebesturen en hun politiekorpsen die hun medewerking verlenen aan het doortrekken van al die duizenden jeug­dige wandelaars. Maar de grootste dank komt toe aan ons eigen Oegst­geester gemeentebestuur dat volledig achter deze marsen staat en hierbij ook altijd vertegenwoordigd is, en aan ons eigen korps Rijkspolitie. Van hoog tot laag, al sinds vele jaren nog aangevuld met leden van de reserve-politie, zijn zij de gehele middag in touw om in het steeds druk­ker wordende verkeer de Sint Jorismarsen in veilige banen te leiden, er soms graag een vrije zaterdagmiddag voor opofferend.

Moge al deze prachtige medewerking er toe bijdragen dat het mogelijk zal zijn dit wandelfestijn te blijven organiseren en zo eenmaal per jaar Oegstgeest te maken tot een padvinderscentrum met als doel voor ogen: De Sint Jorismarsen. Dit overzicht werd samengesteld uit gegevens verstrekt door: H. W. Schimmel, en de heren L. Serlier en D. Swaan Jr.